dinsdag 5 december 2017

Heerlijk avondje (...)




Heerlijk avondje?
Hetgeen ze een vreugdevol en ‘heerlijk avondje’ noemen, liep bij ons al voor het tweede jaar toch een tikkeltje anders dan wat ik me had voorgesteld bij 'dat heerlijke avondje’. Dat begint bijvoorbeeld al met de inkopen. Nouja, niet dat ik ontevreden was over het zelf uitzoeken van mijn eigen cadeaus ofzo. Ik heb bol.com naar hartelust leeggekocht. Om nog maar te zwijgen over het tikken van mijn EIGEN gedichten, vol lof en eerbetoon aan de alles-opofferende-moederliefde die dit huis hier bekleed als een grote glinsterende glitterjurk (ik hou van beeldspraak).... Nee, dat verliep wel op rolletjes. Daar schort t em niet aan. 
Nee, ik heb het hier over die eindeloze gekte en hysterie die er dan weken van tevoren aan vooraf gaat, en waarbij ik een kínd heb dat dus vlak daarvoor nog jarig is ook. Glorie! Tel uit je winst.

Verjaardagen en hysterie
Ik pijnig mijn hoofd dus al diezelfde lengte van weken voorafgaand aan deze feestelijkheden, én langer. Want: Punt 1: wat moet je in vredesnaam geven aan een kind in een westers land?! En waarvan IK vindt dat ze al genoeg heeft om dankbaar voor te zijn. Dat was punt 2. En punt 3: dat dochterlief gewoon fout getimed verwekt en geworpen is. Totaal de verkeerde combi: Sint en jarig zijn.... My goodness. Het is je niet aan te raden. Mocht je het nog in de planning hebben staan om ‘er weer voor te gaan’ doe dat dan vooral NIET in de maanden februari, maart en april. Ik weet het, dan is het koud, duurt het voorjaar lang, zoek je je heil bij elkaar onder de wol, en je denkt bij jezelf: wat maakt het uit wanneer het geboren wordt?! Ons kindje is hoe dan ook welkom. Heel nobel allemaal, maar ik zeg: niet doen! Blaas het af! Denk na! Dat is de eerste 3 jaar nog schattig en leuk, en hélemaal niet (zo) erg... maar dan. Dan volgt de terror. Echt. Neem het van me aan. Een jarig kind is sowieso al niet degene die Sint het liefst ziet komen, als we het er toch over hebben, want jarige kinderen zijn chagrijnig (lees: stout). Jarig zijn is gewoon hét moment waar je voor leeft. En als er iemand die dag mag verzieken door te brullen stampen en schreeuwen, dan ben je dat nog altijd zélf. Dus dat zal dan ook gebeuren.
Je haalt als ouder vervolgens alles uit de kast om kind-lief hermetisch tevreden te stellen en worstelt je, lief lachend naar de visite, de dag door. Dan mag je van geluk spreken als je niet ook nog een ‘gezellig familie feestje’ geplant hebt voor het weekend, om het nog eens dunnetjes over te doen. Heb je de ellende namelijk nog eens. (Ik zal maar geen boekje open doen over de kinderfeestjes).

Alles uit de kast
Nee. Dit zijn überhaupt al dé uitdagingen des levens. Laat staan dus de terror, die die ouwe knar en z'n gevolg met zich medebrengt. En heel eigenlijk, als ik heel eerlijk ben, is dit zelfs nog wel een graadje erger. Want je loopt je uit de naad te werken om die dag een enigszins verantwoord, doch makkelijk en snel, aan de smaakpapillen van het kroost voldoend maal neer te zetten.... je besteed uren en uren aan het bedenken en uittypen van de aller prachtigste gedichten voor je meest dierbare en gekoesterde bloedjes, ondanks dat je weet dat die ouwe met de eer zal gaan strijken. Je doet zelfs pogingen tot freakin’ hand-letteren op de cadeaus(..) En je regelt óók nog gewoon heerlijke versnaperingen en culinaire hoogstandjes voor s’ avonds tijdens het uitpakken. Dat doe je gewoon.
Je plukt een ‘sint’ uit je telefoonboek en verandert zijn profielfoto stiekem in een bellende baard met rode muts. Je laat de ‘sint’ berichtjes sturen. EN… last but not least… je spendeert véél te veel geld.
Maar hey! Alles voor ‘het heerlijk avondje’. En daar gaat ie dan. We zijn er helemaal klaar voor. Althans, wij… manlief en ik.

Faalactie 1.0
Het moment is daar. De Sint sms’t en ik ren ‘vol verbijstering’ richting dochterlief die op de tablet zit. “Kijk NOU toch eens wie er een bericht stuurt....?!” Vol verwachting en knipogend naar manlief, staan we te wachten op de explosie van ontzetting en enthousiasme van dochterlief. Die blijft uit. “Ik ben nog even bezig mam...”
Nou, dan gaan bij mij al een paar kaarsjes uit, hè! Ik mag even wachten....pffff. Maar goed. We wachten. En we wachten. Ik ruk de tablet uit haar handen. Broertjelief gaat ermee vandoor. Manlief rent erachteraan. Gegil en geschreeuw van beide kinderen. Boze woorden en dreigementen met roe’s en zakken vliegen terug hun kant op. DIE voor je. 1-0 voor ons. We kijken elkaar tevreden aan. Op naar deel twee. 'Sint is dus in aantocht!!!' Herhaal ik veelste enthousiast, waarop ik het vreselijkst zingende koortje van het hele internet aan klik. Lijzige stemmetjes schallen door de speakers. Ik zie manlief zoeken in zijn broekzak . De oordoppen. Goed. Een half liedje dan, en  ook ik wordt gillend gek van dat gewauwel en we gaan maar over op het binnenslepen van DE zak.

HET 'heerlijk avondje'
Dochterlief doet de deur open. Kijkt. Ziet niks. Ik moedig aan om nog eens te kijken. Ziet nog niks. Lekker dan. Misschien hadden we die beter een bril cadeau kunnen doen. Maar goed, we hijsen de immens grote zak met cadeaus naar binnen. “Is dit alles?” Hoor ik een verveeld toontje achter me aan slaan. MAN wat moet dit worden in de puberteit, mompel ik geïrriteerd richting manlief.
Voordat we ons omdraaien zetten we ons hoge stemmetje en verdraaid goed geacteerde glimlach op. “Wat gezéllig is het hè, jongens??” De muziek gaat harder, en we rossen door de gedichten en de cadeaus heen, zoals we nog nooit hebben gedaan. In werkelijk 25 minuten is alles gebeurd. De duur betaalde spellen liggen zielig in de hoek, en het leukste kado van de avond was 0,59 cent... Mijn pogingen tot hand-letteren werden niet gelezen noch opgemerkt. Enkel een opmerking ‘dat knoeipiet dèze wel geschreven zal hebben’.... Daar kon ik het mee doen. Verder hebben ze geen hap gegeten van mijn verantwoord bereide maal, en hebben ze zich in plaats daarvan, kots en kots misselijk gegeten aan de pepernoten en chocolade-ellende. Vervolgens hebben ze geen enkel gedicht gehoord, en alleen oog gehad voor dat van hun zelf.
En terwijl dochterlief een scène maakte na een cadeau waar alwéér Playmobil in zat (tis toch vreselijk), greep zoonlief zijn kans om als een terrorist, de met zorg opgezette kerstboom, volledig te slopen en wist hij tegelijkertijd met zn poepbroek vol E-nummer-aroma's, de lieflijk zoete en kruidige geur van suiker en kaneel te verdrijven. Tot overmaat van ramp is hij op de bank gaan zitten draaien en kwam de poep tot onder uit zn broekspijpen zetten. De uitgekauwde drap met pepernoten die ik tien minuten geleden nog in het tapijt vond, was er niks bij.

Naar bed
En denk maar niet dat ze na deze hele uitputtingsslag liefjes, rustig en voldaan achter je aan naar boven wandelen hoor! Nee, niets van dat alles. Zie ze maar eens goed en wel in bed te krijgen. Dat lukt je niet. Zelfs na 23 boekjes, 12 liedjes, en 10.000 kusjes en knuffels later, staan ze alsnog binnen vijf minuten onder aan de trap te lullen als Brugman en met ogen als die van de Simpsons in eigen persoon. Dat ze niet kunnen slapen. En dat ze getik horen.... of dat Sinterklaas soms is, dat ze zo druk in het hoofd zijn....en…

Een landelijke list
Nee mensen. Dat ‘heerlijk avondje’ is niet bepaald wat je er van tevoren van denkt. Trap er niet in! Echt. Het is een landelijke list, waarvan iedereen stiekem op de hoogte is en blijkbaar de schijn op houdt hoe leuk het allemaal wel niet is. Zelfs tot op het schoolplein aan toe staan de huichelachtige collega- ouders hun succes verhalen uit te wisselen.
Maar dan. Totdat je kinderen oud genoeg zijn en je de waarheid zelf ontdekken moet, kom je erachter. Verraad! Doortrapt.
Het is een heel geniepig spelletje.


Dus bij deze. Wees wijs.

(En misschien moet je voor alle rust, ook de maanden mei, juni, juli, augustus, september, oktober, november, december en januari maar schrappen uit de geboorte planning...)

Just saying.

zaterdag 29 juli 2017

Opgesplitst


Even ZEN
Moe van de dag, ren ik door het huis heen, met washandjes, handdoeken, melatonine, slaapmedicatie, knuffeltjes, pyama’s, zeep, tandenborstels… ik hijg even uit voordat ik de rolgordijnen op Jesses kamertje dicht doe en sluit mijn ogen. Even “ZEN” noemen ze dat. Maar ik voel diep vanbinnen toch nog altijd meer connectie met degene waar ik sinds een paar jaar een haat-liefdeverhouding mee heb… Degene die ik ooit van heel dichtbij kende, maar die ik de laatste jaren wat weggeduwd en aan de kant gezet heb.

Gewoon vanwege het conflict in mij, met de waarom -vragen en de worstelingen omtrent mijn gehandicapte zoon. Intens geliefd, en onwijs welkom en gewild, maar toch… Het is een heel project. En het “happy-clappy-christen-zijn” paste even niet meer tussen de donkere dagen die ik herhaaldelijk beleefde in mijn diepe dal.

Stress

Inmiddels heeft Jesse de stop al te vroeg uit het bad getrokken, en zit hij bibberend te huilen tot ik zover ben. Ik schiet acuut in de mopperstand en Sarah’s getreuzel werkt me op mijn zenuwen. “Schiet nou op, Saar!! Je voet! Nee, andere... Wat zeg je? Plassen?! Nou, snel dan. Had je dat niet eerder kunnen bedenken?” Grommend en ongeduldig sta ik te wachten tot ze zover is. Ik kijk op de klok en hoor op de achtergrond een aanzwellend en oorverdovend gekrijs van een bibberend jongetje. Gauw roep ik Sarah wat commando’s toe voordat ik Jesse in de handdoek op schoot hijs. Ze mag nog boekjes lezen tot de wijzer boven is, en dan alvast gaan liggen tot ik kom. Voor de duidelijkheid benadruk ik nog een keer: “Ik kom écht, maar ik moet wachten tot Jesse slaapt. Dus maak geen geluidjes!! Des te sneller ben ik bij jou.”  Ze sputtert wat tegen, maar bij het horen van het woord “boekjes” gaat ze dan toch maar. Zo. Dat was één, denk ik bij mezelf. Alleen nog maar af maken straks.

Hier schreeuwen twee kinderen in mijn hart…

Met het laatste beetje energie zak ik met Jesse in de schommelstoel naast zijn bed. Een momentje rust. Stiekem is dit een favoriet momentje van mijn dag. Het moment dat mijn krullenbol zich zuchtend in mijn nek nestelt en ik even alle zorgen van de dag kan laten gaan. Tijd om de dag te evalueren, gesprekken terug te halen, of even gewoon weg te sukkelen samen met mijn zoon. Lekker in de –zeldzame- stilte. Ik geniet van zijn mooie gave snoetje in de schemering. Dat hij al bijna vier is, overvalt me soms. Zo zie ik hem niet, en zo gedraagt hij zich ook nog lang niet. Maar ach…
Mijn mijmeringen worden abrupt onderbroken door gehuil. “SHIT” denk ik. Sarah. Ik hoor dat ze écht van streek is en lichtelijk in paniek om iets kleins, wat in haar hoofd heel groot geworden is. Ik ken haar te goed. Het kwetsbare meisje van vijf staat er even alleen voor. Precies hetgeen wat haar waarschijnlijk nog het meest van streek maakt. Haar bekende huiltje dringt zich bij me naar binnen. Triest genoeg is het eerste wat ik doe, checken of Jésse erop reageert. Want als Jesse wakker wordt, is het pas echt desastreus. De kans dat hij dan weer inslaapt is 50/50. Ik kan dus beter even in hem investeren en hem goed wegleggen, dan nu ingaan op Sarah, anders ben ik dubbel zo lang bezig, heb ik meer en langer gehuil, en twéé vermoeide kinderen die te laat gaan slapen. Om nog maar te zwijgen over mijzelf.


De redenering in mijn hoofd sust mijn tegenstrijdige gevoel, terwijl ik mijn ogen stijf dicht knijp. Hier schreeuwen twee kinderen in mijn hart…



Wat zou ik graag opstaan en naar Sarah lopen, om haar in mijn armen te nemen. Was Peter nu maar thuis. Het verteerd me om haar te moeten negeren, terwijl ik hoor dat ze me nodig heeft. Niet omdat ze het gordijn niet dicht krijgt waar ze blijkbaar mee worstelt, maar omdat ze het emotioneel even niet aan kan om alleen in bed te gaan en een oplossing te zoeken voor dit “probleem” met het gordijn.  Ze was de hele dag al zo breekbaar, en aanhankelijk. En alles gaat nu anders dan normaal. Er is geen tijd om haar naar bed te brengen. Geen aandacht. Geen verhaaltje -want te laat-  en geen aansturing die ze met name in de avond zo nodig heeft. Kon ik mezelf maar in tweeën hakken, zoals ik me vanbínnen al voel... Of klonen. In dit licht lijkt die uitvinding opeens zo gek niet meer.

S.O.S.  Ik.kan.dit.niet.

Als in een reflex, werp ik God een quasi serieus schietgebedje toe: “Heer, DOE iets. Ik trek het niet als ze het straks beiden op een gillen zetten(...) De dag was zó al zwaar genoeg. Stuur anders een engel ofzo, eentje met grote vleugels, daar scoor je zéker mee bij Sarah. Die wil al vliegen sinds ze bestaat…!”

Alsof ik afwacht of het echt gebeurd, ben ik een tijdje stil in mijn gedachten. Maar na een lange minuut maakt die stilte plaats voor een onbestemd gevoel… Ik voel me alleen en niet gezien. Niet gehoord en niet gewaardeerd. Er is eigenlijk niemand die écht ziet hoeveel alles me kost.
En dan zit ik hier in het donker, te worstelen met alles wat me in dit leven gegeven is. Prachtige dingen, die ik van tijd tot tijd niet eens aan kan. Die me overvragen. De eerste die de schuld krijgt, is degene bij wie ik net ook al een verzoek had ingediend. Het is God. Ik heb teveel dingen die ik niet meer snap…

“Bent u me soms vergeten?! Ik heb nou niet bepaald het idee dat u echt door hebt hoe ik me voel. Weet u eigenlijk wel hoeveel het van me vraagt? Denkt u wel na, voordat u dit soort ‘leuke kadootjes’ geeft? Bijvoorbeeld of iemand het wel aan kan enzo…? Het is gewoon niet eerlijk! Hoe kan ik nou een goede moeder zijn EN mijn hoofd boven water houden? Deze combi van kinderen hebben een chemische reactie op mij. En had er bijvoorbeeld niet even een briefje bij gekund, toen ik beviel van dit kadootje. Zoals: Handle with care, of licht ontvlambaar… en dan een trilogie met de toelichting, nagezonden in etappes…. Want.ik.kan.dit.niet. Ik herhaal: Ik KAN dit NIET!!”

Ik voel me net Sarah wanneer ik me betrap op deze -kinderlijke- rechtstreekse vragen, en ik schaam me er een klein beetje voor, omdat deze rechtstreekse vragen in gaan tegen dat wat ‘geoorloofd’ voelt om te zeggen. Het altijd dankbaar zijn en verdraagzaam zijn zonder klagen klinkt een stuk christelijker… Maar toch kan het me niet schelen. Wat heb ik tenslotte te verliezen? Ik vind het eerder hypocriet als ik ze niet zou stellen. En diep vanbinnen voel ik daar vrede mee.


Je houdt meer van Jesse!
Sneller dan verwacht leg ik Jesse in zijn bedje. Als Sarah nu maar niet adem haalt voor een nieuwe hysterische uithaal, want dan is het mis. Zo langzaam en snel als ik kan, sluip ik weg en open Sarah’s deur. Een rooddoorlopen betraand gezichtje kijkt mij aan. “Ze is ook nog maar vijf…” denk ik, terwijl ik haar smalle lijfje in me opneem. Er wordt al zo veel van haar verwacht. Veel meer dan ze op sommige momenten aan kan. Zoals nu.

Ze stort direct haar hart uit; “Het is NIET eerlijk!! Waarom blijf je bij Jesse altijd tot hij slaapt, en laat je mij in de steek!! En waarom mag hij later naar bed dan ik?! Hij mag altijd ALLES. Je denkt nóóit aan mij! En ik was aan het huilen. Waarom KOM je dan niet?! Ik kan alles toch nog niet zelf?? Ik weet zéker dat je meer van Jesse houdt dan van mij!”

Met een gekwetst gezicht draait ze zich van me af.
Het is weer zover. Ze zit in zak en as en is er heilig van overtuigd dat ik meer van Jesse hou...  En opeens denk ik: waarom zou ze dat ook niet denken? Ik begrijp haar volkomen. Ze heeft er alle rede toe om dat te denken. Ondanks dat ik haar al zo vaak heb uitgelegd dat Jesse geen normaal jongetje is en dat dat niks te maken heeft met houden van…

Eerlijk gezegd had ik op deze momenten ook liever een normaal broertje voor haar gehad, dan dit intensieve knulletje dat haar zoveel ontneemt zonder het zelf door te hebben. Dat dan weer wel. Tegelijkertijd veroordeel ik mezelf om die gedachte. Ik hou van mijn beide kinderen! Maar juist daarom komen deze gedachtes soms ook… Ik gun ze beide het allerbeste. Maar ik ben niet in die positie ze dat te geven.

Ik ben hooguit een goed-genoeg-moeder… geen volmaakte moeder. Al voel ik me soms zelfs nog te min voor de goed-genoeg titel. Wanneer is het goed genoeg voor een perfectionist?


Spiegelmoment
Ik trek mijn huilende meisje naar me toe, en intuïtief beaam ik maar gewoon de dingen die ze zegt. Ik kan er niks anders van maken en ik zou niet weten wat ik anders moet zeggen. Het enige wat ik haar geven kan is erkenning. En zowaar, dat helpt. Ze kalmeert, en kijkt me even aan: “Vind je dat ik gelijk heb, mam?” Ik knik. “Ik ben héél blij dat je deze dingen aan mij verteld! Maar één ding, Sarah...” Ze onderzoekt mijn gezicht en kijkt vragend.

 “Knoop in je oren dat ik nooit méér van Jesse hou! Ook al voelt het nog zo echt. Dat mag je nooit geloven, want dat is een leugen. Ik denk méér aan jou, dan jij je beseft lieverd.”


Ik benoem alle mooie dingen aan haar, en waarom ik juist zo dol op háár ben, en de dingen die zij zo goed kan en die maken dat zij Sarah is. Haar lieve zorgzame karakter en haar mooie hart.
Maar vooral dat ze er gewoon mag zijn. Zoals ze is. Ook met haar boosheid. Omdat het niets verandert aan hoeveel ik van haar hou.
Ze zucht diep. En vergevingsgezind als ze is, omhelst ze me alweer. “Je bent de allerliefste moeder van de hele wereld!!” Ik kijk eventjes door het raam omhoog, waar de gordijnen nog steeds verkreukeld en half open staan, en hou mijn adem in… Wow. Deze hele situatie was één grote spiegel…! Ik hoor mijn eigen antwoorden in mijn hoofd gonzen:

“Ik hou niet meer van anderen dan van jou. Ik denk méér aan jou, dan jij je beseft. Ik ben blij dat je deze dingen verteld…. Je mag er gewoon zijn. Zoals je bent. Inclusief boosheid. Verdriet. Omdat het niets verandert aan hoeveel ik van je hou.”
Het kwartje valt opeens en plotseling krijg ik als vanzelf antwoord op een paar vragen. En al zijn mijn vragen nog lang niet allemaal beantwoord… ik voel me in elk geval gehoord. En gezien. Net zoals Sarah nu.

En met een klein beetje heimwee, zet ik de deur voorzichtig weer op een kier.

zaterdag 22 juli 2017

Starende mensen en eerlijke kinderen

Pas schreef ik een stukje op de (opvoed)blog van een vriendin http://hoepraatjemetkinderen.blogspot.nl  Ze vroeg hoe het is om een gehandicapt kind te hebben en hoe anderen reageren. Daarover schreef ik deze ervaring:

Mijn zoon Jesse laat zich niet meer zomaar weg zetten in een buggy, en heeft ontdekt dat zijn beentjes hem op veel leukere plaatsen kunnen brengen, dan waar ik met hem heen wil. Hij wil de vrijheid tegemoet. En wel nu. 
Wanneer we dan ook bij een speeltuintje komen, klik ik hem maar uit zijn gordeltje, en weg is meneer. Zo vlug als zijn kleine elastieken beentjes hem kunnen dragen, wankelt hij als een dronkenman richting schommel; het mooiste wat er bestaat. Vlak voordat hij er is, klapt hij al in zijn handjes en roept keihard “Jaaaaa!!!” terwijl hij even zijn momentje neemt, door gelukzalig omhoog te kijken met zijn oogjes samengeknepen en een brede grijns. Helaas zag hij hierdoor het richeltje niet, waarop hij binnen een milliseconde, in-verdrietig zit te huilen op de grond. Hij viel. Zijn hemels-blauwe oogjes worden nog prachtiger met al die tranen, en hij kijkt me hulpeloos aan met zijn armpjes in de lucht. Ik til hem op, en troost hem zoals ik gewend ben; als een baby. Wiegend, met zijn hoofdje rustend op mijn rechterarm en zijn kontje in mijn linkerarm, beentjes opgetrokken omhoog in de foetus houding. Hij kalmeert zichtbaar. Het past allemaal nog maar net, maar zolang het hem helpt… ach.

"Moet je dát zien!"
Een man achter mij heeft al een tijdje staan kijken, net zoals de moeder met de kinderwagen, maar opeens zie ik nu ook wat kinderen nieuwsgierig naar me staan staren. Het kwartje valt opeens. Wat voor mij zo normaal is, is in hun ogen uiteraard abnormaal. De moeder keurt het af wat ik doe, en mompelt nog net verstaanbaar tegen haar vriendin; “Tsjeee, die wil d’r kind klein houden ofzo! Moet je dát zien!” Ik negeer wat ik zojuist hoorde, ook al voel ik de sterke neiging mezelf te verantwoorden en uit te leggen hoeveel pijn haar opmerking mij zojuist deed, maar hou me in.

Jesse is inmiddels gekalmeerd en zit eindelijk op zijn felbegeerde schommel. Terwijl ik hem duw, komt er een ander jongetje bij staan. “Wat is er met heeeem?” vraagt hij op een zeurderige en verveelde toon. Het kan natuurlijk mijn interpretatie zijn, na de kwetsende opmerking van de moeder, maar ik besluit om hem zo goed mogelijk te woord te staan. Het mag niet zo zijn dat hij de dupe is van mijn pijn. IK ben namelijk degene die een gehandicapt kind heeft, dus ben ook IK degene die heeft te dealen met een wereld die dat leven niet kent, noch begrijpt. Hoe oneerlijk dat ook voelt. 
➺ En als ík het al niet kan… hoe moet ik het Jesse dan leren?
Dit is een kans
Ik zak door mijn knieën en kijk het jongetje, van ongeveer dezelfde leeftijd als mijn eigen zoon, vriendelijk aan. “Wat zie je aan hem?” vraag ik. Het jongetje verteld onomwonden hoe hij vond dat Jesse niet goed kon lopen, en dat hij “gek” deed bij de schommel. Ik slik even. “Ja… “ zeg ik. Dat klopt. Het jongetje had blijkbaar al meer gezien dan de moeder, want hij noemde de manier van troosten niet eens, en hij had tot tegenstelling van de moeder, wél door dat er iets meer aan de hand was. Ik waardeer zijn eerlijkheid, en merk dat mijn stemming positief omslaat. Dit is een kans. Een kans om dit jongetje kennis te laten maken met iets wat in zijn ogen nog “gek” is, en hem te leren om er in de toekomst anders op te reageren dan zijn moeder. 
Hij is anders
Ik leg hem uit dat Jesse inderdaad anders is dan hij, maar dat Jesse speeltuinen super leuk vindt. Het jongetje knikt heftig; hij ook! En dat Jesse gek is op chipjes, en soms ruzie heeft met zijn zus… Het jongetje beaamt alles; dat had hij allemaal ook. Alleen bij Jesse lopen de lijntjes in zijn hoofdje soms net de andere kant op dan bij ons, wat maakt dat hij soms een beetje “gek” beweegt en reageert... of dingen niet goed snapt. Daar kan hij niks aan doen. Zo is hij geboren. 
Het was voldoende voor het jongetje. “Oké!!!” roept hij, en vliegt op de andere schommel af die naast Jesse hangt. Uitbundig begint hij te kletsen tegen Jesse, over de chipjes en zijn zusje… Jesse snapt er geen fluit van, maar reageert enthousiast met een blij gezicht en hees gelach. Het jongetje lacht ook, en kijkt mij aan: 
➺ “Hij praat zeker ook niet?” En dan naar Jesse: “Geeft niks hoor!”
De moeder van de opmerking heeft alles geobserveerd en is op een afstandje mee komen luisteren naar het gesprekje dat ik had met haar zoon. Wanneer ik opsta en aanstalten maak om Jesse weer mee te nemen, zegt ze verbijsterd: “Maar je ziet helemaal niks aan hem…”
De cliché opmerking die ik altijd te horen krijg, raakt me dit keer wel. Had er dan iets te zien moeten zijn, zodat ze niet over me had hoeven oordelen? Ik kijk haar recht aan, terwijl ik zie dat de emotie in mijn ogen haar niet ontgaat. En vlak voor ik me omdraai zeg ik zacht; “Nee, niet iederéén valt het op…”